Peter Ghyssaert is in dichter dy’t yn Antwerpen wennet. Fan’t simmer ha ik by him op besite west en earder hie ik him noege om foar te dragen yn De Harmonie. Doe joech er my syn nije bondel Kleine Lichamen. Peter Ghyssaert wie al in dichter dy’t ik mei nocht lies, mar Kleine Lichamen wie noch bysxfbnderder. In gedicht xfat dy bondel is nominearre foar de Herman de Koninck-priis. Do kinst op Ghyssaert of op ien fan ‘e oare njoggen nominearren stimme op www.canvas.be
x91Omdat ik de liefde niet het standbeeld hadx92
Omdat ik de liefde niet het standbeeld had
gegeven dat haar toekwam, nam zij wraak op mij,
zij metselde mij in. Het gezang van honderden vogels
stroomde door de avond. De hand die mij inmetselde
zag ik niet. Het laatste licht kwam binnen, ik stuurde
het weg, het verraadde de liefde die werkte en
volmaakt werd. Ik stelde mij haar gewaden voor
en sloot mijn ogen. Ik plaatste zelf de laatste steen.
uit: Peter Ghyssaert, Kleine lichamen (Querido, 2005), p. 29.
(ekskuzes foar de opmaak. Op de Canvas-webside is it sa’t it heart)
(Interview mei Ghyssaert op Doar.nl, jan 2006)
“Kun je je eigen tijd anders ervaren dan als een waterval?”
Dichter Peter Ghyssaert yn petear mei Doar

Peter Ghyssaert, fan Antwerpen, berne yn 1966, debutearre yn 1991 mei ‘Honingtuin’. Ferline jier ferskynde syn sechsde bondel ‘Kleine Lichamen’. Yn oktober 2005 die der in optreden yn de Ljouwerter Harmonie, dxear’t it grutste part fan it publyk him (noch) net koe.Der waard entxfbsjast op syn poxebzie reagearre. Doar mailde Ghyssaert (sprek xfat: Gie-saart, net Gij-saart) om te freegjen hoe’t er it yn Ljouwert fxfbn hie, oft er net bang is om beroemd te wurden en fansels komt de muzyk op’t aljemint.
Do bist net allinne dichter, do spilest ek fioel.
Ik ben als violist op negenjarige leeftijd beginnen spelen. Ik had een violist op de TV gezien en besloot toen om zelf een strijkinstrument te maken. Dat ging als volgt: de stoelen in onze keuken hadden een holle rug, daar spande ik elastiekjes over die ik vervolgens met een houten steel van een kapotte lepel aanstreek; dit geluid leek mij uitermate interessant, al stond het toch nogal ver van wat ik de violist had zien en horen doen. Ik merkte dat ik aan de elastiekjes verschillende toonhoogtes kon ontlokken door er mijn vingers op te zetten. Toen vond moeder dat het welletjes was geweest en werd ik in de muziekschool ingeschreven. Sindsdien speel ik ongeveer dertig jaar viool, ik ben het meer en meer als
een ambacht gaan beschouwen, als een vak dat je uitoefent, een kunstzinnig vak weliswaar. Misschien komt dat omdat ik ondertussen heb geleerd wat mijn zwakke en sterke kanten zijn.
Ik heb altijd erg van kamermuziek gehouden, muziek die je speelt met twee, drie, vier, vijf mensen en die van oorsprong uit ook voor de ‘kamer’ was bedoeld, voor het salon en het intieme publiek. Grosso modo kan je het oeuvre van de meeste klassieke componisten in twee stapels verdelen: symfonische muziek en kamermuziek. Dikwijls is die kamermuziek de champagne van hun produktie. Maar alle klassieke muziek is interessant; jazz en pop trouwens ook, al voer ik het niet uit.
Kin by dy it dichtsjen sxfbnder de muzyk, of de muzyk sxfbnder it dichtsjen?
Dichten of muziek spelen: je tapt waarschijnlijk uit hetzelfde vaatje.
Als je linkerneusgat verstopt is ga je harder trekken aan de andere kant, of je doet je mond open om naar lucht te happen. Wat er niet uitkomt als tekst wordt dan weer verklankt, en andersom. Ik heb als eens eerder beweerd dat poxebzie een unieke plaats heeft binnen de literatuur, omdat ze daarin eigenlijk een ‘stille muziek’ is. Daarmee bedoel ik een muziek die door de lezer rechtstreeks van het blad genoten kan worden, zonder interventie van een vertolker. Het voorlezen van gedichten, hoewel soms aangenaam en verrijkend, is toch nog eerder bijkomstigheid dan hoofdzaak. Maar voorgedragen of niet, poxebzie moet zeker een ‘sound’ hebben, iets dat blijft hangen als het ding zelf al gepasseerd is. Een slecht gedicht gaat voorbij en laat een kuil vol stilte achter. Van een goed gedicht herinner je je
na lange tijd nog een opeenvolging van twee, drie klanken, de bijzondere plaats van xe9xe9n woord in een frase. Zo moet poxebzie werken, ideexebn en gedachten, hoe fraai ook verwoord, zijn altijd ondergeschikt aan het fenomeen dat de taal in een gedicht altijd domineert, al schrijf je anekdotes in versvorm.
En TIJDENS het lezen van een goed gedicht blijf je ook elke klank afzonderlijk horen binnen het geheel. Ik zou hier een culinaire vergelijking willen maken maar die kun je zelf wel afleiden uit het voorgaande.
Hoe hast wie de besite oan Ljouwert foar dy? Kaam it oerein mei watst fantefoarren yn ‘e holle hiest?
Leeuwarden was voor mij echt een ‘buitenland’, voor de eerste keer heb ik fysiek ervaren dat Friesland Nederland niet is. Geen wonder, het landschap bestaat er ongeveer voor vijfentachtig procent uit enorme lucht- en wolkpartijen. Het land krijgt daardoor een soort van aangename leegte,
een gevoel dat ik verder alleen nog maar in Schotland heb ervaren. Je wordt er stil van, en een beetje melankoliek, en tegelijk is er een overvloed van licht, waardoor je onder die luchten ook de kleinste details waarneemt. Wat literaire avonden betreft, daar probeer ik me van op voorhand bewust
geen voorstelling van te maken, de werkelijkheid wijkt onverbiddellijk af van wat je verbeelding je heeft ingegeven. Als ik het toch niet kan laten fantaseer ik maar over de grootte van de zaal, het licht dat er valt, of er klapstoelen staan en meer van dat soort van onbenulligheden. Een eigenaardigheid die bij deze voorstellingen steeds terugkeert is dat ik me de plaats van optreden altijd groter voorstel dan ze is. Dat heeft dan weer met een soort angst te maken: dat je als een mier op een gigantisch podium
moet verschijnen onder een enorme kunstzon, en dat je die enorme ruimte met je sprieten en je gescharrel zult moeten vullen.Maar de Friese avond is me, zoals je ondertussen wel weet, goed
meegevallen. Wat me sterkt in de overtuiging dat je poxebzie op kleine, intieme podia moet brengen, waar je je stem niet dient te forceren om gehoord te worden en waar de mensen er communicatief genoeg uitzien om je naderhand de weg te vragen. Grote publieken zijn van steen; monolieten waartegen je dient te vechten. Nu ja, it’s all in the mind, maar iemand als de Canadese pianist Glenn
Gould beschouwde zijn publiek als een monster waartegen hij moest vechten. Maar ik wijk af, waar ik overigens wel van hou.
Fielt it publyk oars oan wannearst as fiolist optreedst?
Ik merk dat het voorlezen me toch iets vlotter afgaat dan het spelen. Maar hoe dan ook: als uitvoerder of lezer voel je het publiek aan als een spanning, dat kan positief of negatief zijn, een intens luisterend publiek geeft enorm veel energie. Een publiek dat op het punt staat uiteen te vallen in hoestende, lachende, zich krabbende mensen, haalt je helemaal leeg. Je leert er volgens mij nooit helemaal mee omgaan. Ik toch niet.
De jxfbn yn ‘e Harmony wie foar it grutste part yn it Frysk. Ik siet der wol wat oer yn dat it saai foar dy wxeaze soex85
Het feit dat er op de Friese avond zoveel Fries werd gesproken versterkte mijn gevoel een
buitenlander te zijn, maar het deed me ook weer eens beseffen dat taal een fabelachtig
instrument is, en het toonde zeker aan dat taal als klank, ik moet zeggen als klinkend lichaam, een leven apart leidt. Het verschil in toonaarden en timbres en ritmes tussen de verschillende Friese lezers was ronduit verbijsterend, hoewel ik er dikwijls de ballen van begreep. Maar bij de xe9xe9n krijgt de taal iets grijs, een uniform, bij de ander ben je je bewust van bergen en dalen, van elke klank.
In mennich fan myn freonen binne fan miening dat Flaamske dichters suver per definysje nijsgjirriger binne as Nederlxe2nse. Bisto sels in poezijlxeazer? Kinst dy it entxfbsjasme foar Flaamse dichters (boppe Nederlxe2nse) foarstelle?
Zou het enthousiasme voor Vlaamse dichters ook niets te maken hebben met een zeker exotisme? Aan de andere kant kun je ook zeggen: waar kun je stijl- en cultuurverschillen op een indringender wijze ervaren dan in poxebzie? In die zin zijn gedichten ambassadeurs van een cultuur en dienen ze de
buitenstaander in te lichten over de hoofdzaken van die cultuur, maar ook over de bijkomstigheden en eigenaardigheden ervan. Die eigenaardigheden zullen dan wel de exotismen zijn waarvoor veel mensen het eerste vallen, zonder dieper te willen graven naar wat er achter ligt.
Verder is het zo dat er in Vlaanderen bijzonder veel wordt gedicht en dat er ook meer en meer dichters de weg vinden naar de uitgevershuizen. Maar kun je je eigen tijd anders ervaren dan als een waterval? De terugblik op je eigen tijdvak en de onvermijdelijke schifting die daaruit zou volgen is een ultieme wijsheid die je wordt onthouden, en dat is misschien maar goed ook. Die wijsheid zou waarschijnlijk hevig vloeken met het optimisme waarmee we elke morgen toch maar weer onze kleren aantrekken en doorgaan met waar we denken goed in te zijn.
Heel concreet nog eens: er zijn wel veel goede Vlaamse dichters en er heerst ook iets als een dichterlijke cultuur in Vlaanderen, en in tegenstelling tot wat sommige Nederlandse recensenten beweren overleeft die cultuur ook buiten het academische milieu.
Healweis dyn meast resinte bondel ‘Kleine Lichamen’ feroarje de gedichten fan foarm, do stapst oer op wat op de achterflap ‘proazagedichten’ neamd wurde. Wxearom dizze wiksel midden yn in bondel? Hiest net de oanstriid om daliks in hiele bondel fol proazagedichten te skriuwen?
Ik heb me altijd afgevraagd waarom een boek alleen proza of poxebzie, of voor mijn part, alleen prozagedichten zou moeten bevatten. Je bundelt werk dat in xe9xe9n bepaalde periode is ontstaan, daarvan hoop je dat het een evolutie laat zien en ook een xe9xe9nheid, al bevat die ook tegendelen.
Het opnemen van verschillende genres in xe9xe9n bundeling heeft ook tot doel de grenzen van die genres te ondermijnen. Wat maakt van een gedicht een gedicht en van een prozatekst proza? Waar ligt de grens? Het antwoord zou volgens mij moeten zijn: er is geen grens, er is veeleer een niemandsland dat behoorlijk breed is. De kleine lichamen zijn naar mijn gevoel precies midden in dat niemandsland terechtgekomen, een bevriezing tussen poxebzie en proza.
Maar als je uiteindelijk de rekening maakt is poxebtisch proza toch eerder poxebzie dan proza.
Och, volgens mij is een hele goede roman ook poxebzie, en een theatertekst ook. Alles wat goed is neigt naar xe9xe9n en hetzelfde gedicht. ken je de bijbeltekst (nee, ik ben niet de EO, wees niet bang) ‘In den beginne was het woord, en het woord was bij god, en het woord wxe1s god’. Besef je de implicatie van dat citaat? Het verwijst naar een tijd dat er alleen maar taal was, dus niet: taal als het instrument van de mens, maar een soort van taallichaam, vxf3xf3r ons in de tijd, los van ons en van onze behoefte om
te manipuleren en de dingen aan ons te onderwerpen en naar onze hand te zetten.
Daar hebben dichters heimwee naar, hoewel ze zelf de grootste manipulators van taal zijn. Zo gaat de zon eeuwig op en neer.
Hoe is dyn fisy op de minsk(heid)? Wat is de xf4fstxe2n tusken dy en de persoanaazjes yn dyn wurk?
Tamelijk pessimistisch. Uit de geschiedenis leer je dat de toekomst al te vaak ouwe koek is. Als je de keizersbiografiexebn van Suetonius leest, dan zie je dat de menselijke ondeugden er zo modern en fris in worden voorgesteld alsof je ze gisteren bij je buren had kunnen vaststellen. Op het gebied van
ethiek en moraal is er nul komma nul vooruitgang. Wel fluit de mens zichzelf steevast terug als hij weer eens iets afschuwelijks heeft gedaan. Dan volgt er een periode van bezinning, en dan begint hij gewoon weer opnieuw. Dat komt omdat mensen door de eeuwen heen hun ontkenningsmechanismen hebben gecultiveerd en verfijnd: wij zouden zoiets nooit doen. En als we het hebben gedaan: wij zullen zoiets nooit meer doen.
Wat de personages in mijn gedichten betreft: elk personage zal wel een splinter van de dichter zijn (hoe kan het ook anders? Je bent als dichter in onze cultuur toch al niet veel meer waard dan een versplinterd bierglas), maar als je al die splinters aan elkaar lijmt hou je volgens mij toch
een ander dan jezelf over.
Do bist no nominearre foar de VSB poxebzijpriis, tige lokwinske! Bist net benaud om noch ryk en ferneamd te wurden?
Beroemd wordt een dichter nooit, en als hij het al wordt, dan toch niet door het schrijven van gedichten, maar eerder door een bijzaak of toevalligheid. Beroemdheid impliceert ook een vrij hoog gehalte aan vaagheid en onduidelijkheid. Van beroemde mensen weet je vaak het minste, ondanks of
juist dankzij de media.
Het beroemdste word je nog door spoorloos aan de horizon te verdwijnen, zoals Ambrose Bierce. Dan kunnen de mensen de lege plek die overblijft naar hartelust zelf opvullen, en daar zijn ze je zo dankbaar voor dat ze je een standbeeld of een praalgraf geven. Dan kun je tenminste goed zichtbaar
afwezig zijn. En waag het maar niet als dode je eigen straatnaam of graf te laten verdwijnen. Ik zou dat in elk geval eerst eens proberen in een gedicht.
Wat ik by einsluten noch witte wolle soe: hoe soargesto derfoar dat dyn ‘dichtader’ net tichtslibbet?Hij is helaas niet open te houden! Meer en meer ben ik gaan inzien dat dat ook niet hoeft. Je moet aanvaarden dat wat je schrijft geschreven moet worden (denk aan het’wat niet goed is, is niet geschreven’ van Achterberg, waarmee hij zo dikwijls zijn brieven eindigde!), in die zin ben je ook
dichter als je niet schrijft, omdat je de wereld op die manier waarschijnlijk een hoop rotzooi bespaart.
Maar het is natuurlijk moeilijk als stiltes te lang duren. Of juist niet: Rossini hield maar ineens op met componeren en werd kok, daar zit ook wat in. Er zijn slechtere alternatieven denkbaar!